Er is verkeer wanneer een weggebruiker onderweg is van punt A naar B.
Onder weggebruiker versta ik ieder mensenkind. Ook als het een bejaarde man of vrouw is die tijd nodig heeft om aan de overkant te geraken van de straat, die zijn tijd neemt om boodschappen te doen of naar de dokter te rijden, zeker als het een kind zonder remmen is. Of hij of zij op een brommer zit, fietst met haar kroost in de bak of ook op de fiets, unisex onder een helm een zware moto bedient, met een Lijnbus rijdt of autocar, maakt niet uit. Voetganger of bestuurder van een kraanwagen met 10 wielen of een truck met opligger, tram en trein: er zijn veel verschillende weggebruikers, met elk zijn mogelijkheden en beperkingen in wendbaarheid en functie.
Een weggebruiker, hoe snel hij zich ook voortbeweegt moet ALTIJD in staat zijn om een hindernis te ontwijken of ervoor tot stilstand te komen, behoudens wie zelfdoding voor ogen heeft en een voertuig als wapen beoogt. Wie binnenrijdt of opschept, heeft geen voeling met de andere waarvoor hij mee-verantwoordelijk is. De wegcode is pervers geƫvolueerd naar sterke en zwakke weggebruikers. Vroeger was de weg van iedereen. Nu is de rijbaan bij uitstek voor de gemotoriseerden. Hans Monderman is afgestapt van dat axioma en richt de weg opnieuw in zonder strepen, zonder voetpad, zonder reling, zonder verkeerstekens en -lichten.
Jaime Lerner, de burgemeester van Curitiba (Brazil) is nog verder gegaan en maakte van zijn stad een ecologisch gebied, waar verkeer strikt georganiseerd is. Op drie dagen tijd veranderde hij de drukke hoofdstraat in een verkeersvrije straat, waar kinderen spelen, voetgangers het voor het zeggen hebben. Met het uitgedachte openbaar vervoer zijn weggebruikers in staat zich te verplaatsen over het hele grondgebied van de stad in een minimum van tijd.
Verkeer wordt gekenmerkt door het afleggen van stukken weg tussen kruispunten. Op een kruispunt bestaat de mogelijkheid om de rijrichting te verlaten en af te slaan in een zijweg.
Op dezelfde manier kan een autosnelweg gezien worden als stukken weg tussen af- en opritten, waar snelverkeer de weg kan verlaten of in de verkeersstroom kan invoegen.
De hemel in het verkeer kan bereikt worden als voldoende doorstroming bereikt wordt, aan kruispunten, op- en afritten. Zoniet is het een hel waar de file hoogtij viert, volgens de enen, een vagevuur volgens de anderen, die de mensheid loutert, de kans geeft om te onthaasten, of voor de doodrijders die op de staart van de file inbeuken, een zelfmoordpoging die soms effectief is. (Ik heb reeds gewaagd van de eerste regel in het verkeer: iedereen moet voor een hindernis kunnen stoppen). Wie een verkeersmoord overleeft, dient van de weg geplukt te worden en mag zich de rest van zijn leven laten rijden.
Om voor elke hindernis op de weg te kunnen stilhouden, is de nodige afstand gekoppeld aan de gereden snelheid en de weersomstandigheden kritiek. Reken maar eens uit hoe groot de veilige afstand moet zijn tot een voorligger of een opduikende hindernis. Op de ringweg van Brussel en Antwerpen vermeerderd met een factor voor de afstand tot de volgende afrit in een weefzone. Ik heb het hierover nog in een volgend bericht over de file.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten